Laatste Nieuws:
ERIH Annual Conference 2013 - Save the date - Call for papers now open
ERIH Annual Conference 2013 – Back in the Ruhr
Subject: “Measuring the benefits of industrial...
Call for papers: Rust, Regeneration and Romance: Iron and Steel Landscapes and Cultures
International Conference Announcement and Call for Papers from the Ironbridge International...
Jaarlijkse ERIH conferentie - Registratie is nu geopend
De ERIH Conferentie 2012 en het 5e HollandRoute Forum vindt plaats van 12 tot 14 September 2012 in...

De regionale route ‘Ruhr-gebied’
Zware industrie is bijzonder zwaar werk: nergens in Europa wordt dat zo duidelijk als in het Ruhr-gebied. De mijnbouwstreek vertelt de geschiedenis van steenkool, staal en mensen – een geschiedenis van een weergaloze opkomst en geweldige offers. Een geschiedenis waarin de vermetelheid van ondernemers gepaard gaat met hemeltergend leed en trots groepsgevoel en waarin hele steden het gemeenschappelijk lot van giftige gassen en stoflongen delen. Vandaag de dag zijn de rookwolken van de fabrieksschoorstenen vervlogen. Ze hebben meer industriemonumenten dan elders in Europa achtergelaten. Schachttorens, machinehallen, cokesfabrieken en hoogovens getuigen van dit verleden en wijzen als aantrekkelijke belevenislocaties spannende wegen naar de toekomst.
Eigenlijk bestaat het Ruhr-gebied pas sinds de jaren 1930 – zo jong is het begrip en het besef dat de streek als een geheel moet worden gezien. Voor die tijd was het beeld dat men van deze regio had nogal onsamenhangend. Je had het gebied ten zuiden van de Ruhr rondom Witten, Hattingen en Hagen. Ten noorden daarvan op een rijtje de eeuwenoude handelssteden van de Hellweg: Duisburg, Mühlheim, Essen, Bochum en Dortmund. Nog verder naar het noorden stroomt de Emscher. Met deze rivier zijn de namen Oberhausen, Gelsenkirchen, Herne, Castrop-Rauxel en – al een beetje verder weg – Bottrop, Gladbeck en Recklinghausen. Tot de randgebieden behoren Hamm en Marl met uitzicht op het nabijgelegen Münsterland. In het westen wordt de grens gevormd door de Rijn met Rheinberg, Moers en Kamp-Lintfort.
Binnen deze grenzen lijkt alles wel wild door elkaar heen te groeien. Industriecomplexen, arbeiderswijken, weiden met koeien, voorsteden, spoorrails en straten maken het geheel tot een ingewikkeld, onvoorspelbaar mengsel. En toch ziet het Ruhr-gebied er zeker niet overal hetzelfde uit – de verschillende groeistoten, heftig als een vulkaanuitbarsting, hebben ieder hun eigen sporen achtergelaten.
Brandstof van de tomeloze industrialisatie was de steenkool. In de bossen rondom Duisburg, Essen en Witten ontstonden er al vroeg in de geschiedenis talrijke kleine mijntjes – met eenvoudige middelen en met maar een handjevol mijnwerkers. Hier lag de steenkool vlak onder de grond, weliswaar van matige kwaliteit – voornamelijk geschikt voor de ovens en haarden van de boerderijen. De rest ging per schip via de Ruhr naar Nederland en de bovenloop van de Rijn. Toentertijd was het Ruhr-gebied een landelijk, idyllisch gebied.
Rond 1830 kwam dan de doorbraak: de mijnbouw ging de diepte in en veroverde de veel moeilijker toegankelijke lagen steenkool van de Hellweg-zone. Stoommachines met een groot vermogen zorgden voor de afwatering van de toen met meerdere etages tegelijk aangelegde mijngangen. De opbrengst steeg enorm. Bovendien was de plaatselijke vette steenkool zeer geschikt om tot cokes te worden verwerkt. Dat zorgde er weer voor dat de ijzerwinning opgang kwam die tot dan toe gehinderd werd door de afhankelijkheid van het hout dat slechts in beperkte mate voorhanden en bovendien erg duur was. In 1849 ging in Essen de eerste met cokes gestookte hoogoven in productie. De opkomst van het Ruhr-gebied.
Vanaf het begin deed ook buitenlands kapitaal mee. Zo werd bijvoorbeeld de zinkfabriek Altenberg in Oberhausen in 1854 op Belgisch initiatief opgericht. Uit het buitenland kwam ook technische knowhow, vooral uit Engeland – door industriespionage, weglokken van gekwalificeerde arbeiders en verhuizing van hele bedrijven. Het groeiend aantal hoogovens verslond steeds meer ijzererts uit het Sauerland, uit Lotharingen en later uit Zweden en Newfoundland. De firma Krupp had speciaal hiervoor een eigen vloot om erts uit Noord-Spanje te importeren. Kalk kwam uit Wuppertal enWülfrath, nikkel uit Silezië en Nieuw-Caledonië en grafiet uit het Beierse Woud.
In het midden van de 19e eeuw heerste er in het Ruhr-gebied een echte goudkoorts. Industriepioniers, zoals Franz Haniel, Mathias Stinnes, Friedrich Krupp en Friedrich Harkort bouwden binnen enkele jaren grote imperia op. Een belangrijke rol was er weggelegd voor de spoorwegen: elementair transportmiddel en tegelijkertijd een grote klant voor ijzer en staal. In 1847 werd het traject tussen Keulen en Minden geopend en in 1862 lag er al een heel netwerk van spoorwegen in het gebied. Als gevolg van de nieuwe technologie ontstonden er overal mijnen en hoogovens, meestal als gemengde bedrijven die de steenkool voor hun eigen hoogovens zelf wonnen. Zo ontstond de economische vervlechting uit mijnbouw, ijzer en staal – later kwam daar nog de chemische industrie bij – die zo karakteristiek voor het Ruhr-gebied zou worden.
Door de industrialisatie en het hiermee gepaard gaande gebrek aan arbeiders kwam er een tot op dat moment ongekende volksverhuizing op gang. In 1850 had Essen ongeveer 9.000 inwoners en in 1910 al 295.000. In de korte periode zussen 1895 en 1913 verdubbelde het aantal inwoners van de mijnstreek van 1,5 miljoen tot 3,3 miljoen mensen. De eerste nieuwe inwoners waren boeren uit het Münsterland, uit het oosten van Westfalen en uit Hessen. Daarna kwamen de nieuwkomers steeds verder uit het oosten. Alleen als tussen 1910 en 1914 kwamen er bijna 800.000 mensen uit Polen en Masurië.
De steden dreigden door deze stormloop te bezwijken, het stadsbeeld werd door hectisch bouwen bepaald en veel mensen moesten zichzelf maar zien te redden. Met eigen arbeiderswijken probeerden de ondernemers vat op de situatie te krijgen. Ze richtten ziekenfondsen op en stelden winkels voor levensmiddelen ter beschikking. Hun doel: sociale voorzorgsmaatregelen in ruil voor goed gedrag van de arbeiders. Toch was de nood hoog; woningsnood bleef een groot probleem. Rond 1900 was er in een op de twee gezinnen een slaapgast – ongetrouwde jonge mannen die in het florerende Ruhr-gebied een baan probeerden te vinden en blij waren met een goedkope slaapplek. Het werk in de mijnen en staalfabrieken was hard, slecht voor de gezondheid en er dreigde vaak brandgevaar. Het loon was echter verhoudingsgewijs goed. Doordat men zo dicht op elkaar leefde – in ploegendiensten en na het werk – ontstond er een hecht gemeenschapsgevoel, dat door de verenigingen, de politieke activiteiten en de sociale strijd nog werd versterkt.


Door de bewapening voor de beide wereldoorlogen werd de traditionele dominante positie van de zware industrie in het Ruhr-gebied geconsolideerd en dat verhinderde de vestiging van nieuwe technologieën – wat in veel opzichten een noodlottige ontwikkeling was. De laatste innovatieve mijlpaal van de mijnbouwstreek werd in 1932 geplaatst met de bouw van het gigantische schachtcomplex XII op het terrein van de oude mijn Zollverein in Essen. Toen het werd geopend, was dit complex ’s werelds modernste mijn en ging het bovendien met de bouwwijze uit baksteen en staalvakwerk de geschiednis van de architectuur in. De sluiting van ‘Schachtanlage XII’ in 1986 bezegelde na een lange crisis het einde van het monopool van steenkool en staal aan de Ruhr en de Emscher.
Industrialisatie, bloei, verwoesting door de oorlog en wederopbouw: circa 150 jaar lang was het Ruhr-gebied de economische krachtcentrale van Duitsland. Momenteel moet de mijnstreek zichzelf opnieuw definiëren. ‘Strukturwandel’ is het moderne Duitse woord daarvoor. In het begin was dit een pijnlijk proces – wat gelet op de tienduizenden verdwenen banen geen wonder is. Ondertussen begrijpt men echter ook dat het uniek industrieel erfgoed een veel belovend kapitaal voor de toekomst is. Wat elders de kerken en kloosters, burchten en kastelen zijn, zijn hier de mijnen en ‘Gasometer’ (gasreservoirs), gieterijen en staalfabrieken. Ze bieden niet alleen toeristische hoogtepunten maar ook een aantrekkelijke omgeving voor moderne bedrijven en zijn spectaculaire bühnes voor kunst en cultuur. Talrijke verenigingen van vrijwilligers en actiegroepen zetten zich dagelijks in om uit de oude industriële wortels iets nieuws te creëren. Vooral de internationale bouwtentoonstelling Emscher Park (1989-1999) heeft een duurzame impuls gegeven. Het doel was het ontwerpen en uitvoeren van op de toekomst gerichte projecten voor de Emscher-zone. Dat was een grote stimulans voor juist dat deel van de regio dat het meest te lijden had gehad van de gevolgen van de industrialisatie en structuurveranderingen. Met behulp van dit soort impulsen ontwikkelt het Ruhr-gebied zich steeds verder en blijft het tegelijkertijd trouw aan zichzelf – als spannend experimenteerveld van moderne industriële samenlevingen.
De ‘route van de industriecultuur’
De ‘route van de industriecultuur’, een regionaal toeristisch project, maakt het industrieel en technisch erfgoed van het Ruhr-gebied toegankelijk.
Het routesysteem leidt op een met borden gemarkeerde, circa 400 km lange hoofdroute langs de 25 toeristisch aantrekkelijkste standplaatsen van de industriecultuur (de zogenaamde ‘ankerpunten’), langs 17 uitzichtpunten (panorama van het industrielandschap) en langs 13 bezienswaardige arbeiderswijken. Alle ankerpunten zijn voorzien van een van veraf te herkennen geel signaalobject. Circa 1500 borden langs de autosnelwegen en in de plaatsen zelf wijzen de bezoekers de weg naar de industrieculturele highlights.
Vanaf de ankerpunten vertrekken er 25 themaroutes die nog dieper ingaan op de industriële geschiedenis van het Ruhr-gebied. Op de website en met het drukwerk (zoals ‘Atlas der Industriekultur Ruhrgebiet’ en brochures van de themaroutes) worden in totaal bijna 900 standplaatsen van industriecultuur voorgesteld die deel uitmaken van het netwerk.






