Laatste Nieuws:
ERIH Annual Conference 2013 - Save the date - Call for papers now open
ERIH Annual Conference 2013 – Back in the Ruhr
Subject: “Measuring the benefits of industrial...
Call for papers: Rust, Regeneration and Romance: Iron and Steel Landscapes and Cultures
International Conference Announcement and Call for Papers from the Ironbridge International...
Jaarlijkse ERIH conferentie - Registratie is nu geopend
De ERIH Conferentie 2012 en het 5e HollandRoute Forum vindt plaats van 12 tot 14 September 2012 in...

Over de industriële geschiedenis van Nederland
De industrialisatie in Nederland ging niet met de rokende schoorstenen gepaard die in Groot-Brittannië, België en later ook in Duitsland zo kenmerkend waren. In het midden van de 18e eeuw was Amsterdam nog steeds een rijk centrum voor handel en financiële transacties, de landbouw verdiende aan aardappels, bloemen en kaas, terwijl nijverheidstakken als scheepsbouw en visserij minder goed liepen. Vooral de oude textielgebieden rond Leiden, Delft en Haarlem maakten een zware crisis door: tegen de concurrentie uit de Britse machinespinnerijen konden ze zich slechts door middel van zeer gespecialiseerde producten uit de zijdeweverij handhaven.
De nieuwe technologieën uit Groot-Brittannië deden slechts langzaam hun intrede. Sinds lange tijd hadden de Nederlanders een verfijnde waterbouwtechniek ontwikkeld om het diepgelegen land door middel van dijken en kanalen tegen overstromingen te beschermen en door indijken nieuw akkerland te winnen. De pompen werden traditioneel door windmolens aangedreven, soms ook door een hele rij windmolens achter elkaar. Pas in het midden van de 19e eeuw schakelde men op stoomkracht over – heel indrukwekkend bij de drooglegging van het Haarlemmer Meer, waar een pomp voorzien werd met de toentertijd grootste stoomcilinder, gemaakt door een ijzergieterij in Cornwall.
Na 1860 deed langzaam maar onvermijdelijk de industrialisatie haar intrede. Er ontstonden nieuwe textielfabrieken in Noord-Brabant, ook onder invloed van het hoogontwikkelde buurland België, en in Twente. De haven van Amsterdam werd door middel van een nieuw kanaal direct met de Noordzee verbonden, Rotterdam kreeg op zijn beurt de Nieuwe Waterweg, die een lucratieve transitohandel met de ijzersmelterijen en kolenmijnen in het Ruhr-gebied mogelijk maakte. Omdat het land door zo veel waterwegen doorsneden was (en is), was de bouw van spoorwegen niet zo rendabel en gaf men voor het goederenvervoer de voorkeur aan de binnenvaart.
In Zuid-Limburg, in het zuidelijkste puntje van het land, werden aan het eind van de 19e eeuw steenkolenmijnen aangelegd, maar de zware industrie bleef echter een randverschijnsel – kolen en staal waren dienovereenkomstig duur, zodat de mechanisatie slechts langzaam toenam. In plaats daarvan veredelde men agrarische producten, bouwde destilleerderijen en brouwerijen, produceerde suiker en margarine, en exporteerde boter, kaas en varkensvlees naar Groot-Brittannië. Door de fabricage van gespecialiseerde producten ontstonden dan ook de bedrijven die ondertussen tot de wereldconcerns behoren: de ‘Bataafsche Petroleum Maatschappij’ uit Rotterdam, die olie uit de koloniën verwerkte, heet vandaag de dag Royal Dutch/Shell. Door een fusie van de Groningse verfproducent Sikkens, de kunstzijdeproducent Enka en andere bedrijven ontstond het chemisch en farmaceutisch concern Akzo Nobel, en uit een gloeilampenfabriek in Eindhoven een bedrijf voor elektronische apparatuur: Philips.
