Over de industriële geschiedenis van Luxemburg

Dat het kleine landje in het hart van Europa ooit tot de grootste ijzerproducenten ter wereld behoorde – wie had dat nou gedacht? Echter, slechts in het noorden van Luxemburg is de omgeving landelijk, in het zuiden heeft de industriële geschiedenis haar sporen achtergelaten. En lang voordat de hoofdstad zich tot financieel en administratief centrum ontwikkelde, ontstonden er daar aan de oever van de Alzette textielfabrieken – zoals zo vaak de pioniers van de industrialisatie.

In 1828 richtten de gebroeders Godchaux aan de rand van de stad een fabriek op voor textielproductie. Energie werd door een waterrad geleverd; later kwam er nog een stoommachine bij. Er werd ook een spinnerij in het dal van de Esch gevestigd waarvan de machines door een waterturbine werden aangedreven. Godchaux breidde uit, bouwde filialen in binnen- en buitenland en verkocht zijn producten zelfs in overzee. De fabrieksbuitenwijk, waarin ondertussen allang ook arbeiderswoningen, een kinderdagverblijf en een directeursvilla stonden, kreeg zelfs een eigen elektriciteitscentrale toen de stad Luxemburg zelf nog met gas werd verlicht.

Een schoolvoorbeeld voor de grensoverschrijdende geschiedenis van het drielandenpunt Saarland-Lotharingen- Luxemburg levert de porseleinproducent Villeroy en Boch. Het bedrijf werd in 1748 door Jean François Boch in Lotharingen opgericht en het begon in Luxemburg met een vroege vorm van serieproductie. In het Saarland ontwikkelde Nicolas Villeroy een nieuwe methode om porselein met hoogwaardige decors te bedrukken. Aan het begin van de 19e eeuw opende Boch dan een ultramoderne, grotendeels gemechaniseerde fabriek in Mettlach aan de Saar. In 1836 fusioneerden beide bedrijven waardoor het huidige concern ontstond.

De hele economie van Luxemburg profiteerde ervan dat het land in 1842 tot de Duitse Zollverein (douane-unie) toetrad. Het wegennet werd uitgebouwd, er werden twee spoorwegmaatschappijen opgericht en nieuwe industriële bedrijven opgezet. In 1837 opende August Metz op het terrein van een olie- en meelfabriek in Eich een ijzersmelterij. Met een tussenpoos van slechts enkele jaren liet hij meerdere hoogovens oprichten, al gauw werd de eerste stoommachine neergezet en daarna een hoogoven van de eerste ventilatormachine voorzien – overigens gemaakt door de beroemde Belgische firma Cockerill.

In 1869 begon de winning van de grote ijzerertsvoorraad in Fond-de-Gras aan de zuidwestelijke rand van het land. Er werden mijnen opgericht, vooral door Belgische ondernemers, en de stille dorpjes in het dal van de Korn veranderden in arbeiderswijken. Een nieuwe spoorlijn transporteerde de ertsen naar de Franse grens.

In de omgeving schoten hoogovens als paddenstoelen uit de grond. Vooral Norbert Metz, de broer van industriepionier August, bouwde in Esch nieuwe ijzersmelterijen. De hausse kreeg nog meer vaart toen er in 1879 een betere methode werd gepatenteerd voor de winning van de fosforrijke ‘minette’-erts die in Zuid-Luxemburg en Lotharingen voorkomt. De eerste licentiehouder voor de ‘Thomas-procedure’ op het continent was Norbert Metz.

De cokes voor de Luxemburgse hoogovens kwamen grotendeels uit Duitsland en omgekeerd gingen ijzer en staal voor de verdere verwerking naar het Ruhr-gebied. De afhankelijkheid werd ook duidelijk doordat het het op een na grootste Duitse staalconcern was dat na de eeuwwisseling in Esch-Belval de eerste ‘geïntegreerde’ fabriek met hoogoven, staalfabriek en walserijen bouwde. In 1911 fusioneerde de bedrijvengroep van Norbert Metz met een andere Luxemburgse staalproducent tot de ‘Aciéries Réunies de Burbach-Eich-Dudelange’, afgekort als ‘Arbed’ – een Europees groot concern dat ondertussen deel uitmaakt van het bedrijf ‘Alcelor-Mittal’. Op dat moment behoorde Luxemburg tot de tien grootste ijzer- en staalproducenten ter wereld.