Laatste Nieuws:
ERIH Annual Conference 2013 - Save the date - Call for papers now open
ERIH Annual Conference 2013 – Back in the Ruhr
Subject: “Measuring the benefits of industrial...
Call for papers: Rust, Regeneration and Romance: Iron and Steel Landscapes and Cultures
International Conference Announcement and Call for Papers from the Ironbridge International...
Jaarlijkse ERIH conferentie - Registratie is nu geopend
De ERIH Conferentie 2012 en het 5e HollandRoute Forum vindt plaats van 12 tot 14 September 2012 in...

Over de industriële geschiedenis van Frankrijk
De industrialisatie van Frankrijk verliep op zo’n eigenzinnige manier dat men zich lang heeft afgevraagd of daar überhaupt een ‘industriële revolutie’ had plaatsgevonden. Een van de oorzaken is dat de bodem van de ‘grande nation’ gewoon niet zulke grote, makkelijk te bereiken voorraden steenkool en ijzererts bevat als bijvoorbeeld in Groot-Brittannië of in België. Er heerste hier altijd vooral een gebrek aan steenkool, zodat men nog verbazingwekkend lang gebruik heeft gemaakt van houtskool. Bovendien functioneerde de Franse landbouw zo goed: de Revolutie van 1789 bevrijdde de boeren van hun schulden en heffingen zodat zij als familiebedrijf relatief zeker konden bestaan. Het gevolg: zowel de arbeidskrachten als de overschotten misten die vooral in Groot-Brittannië de Industriële Revolutie hadden aangedreven.
Er bestond echter in Frankrijk in de 18e eeuw een veelzijdig ontwikkelde nijverheid die vaak baseerde op de eisen van de adel uit het Ancien Régime: er werden op groten schaal meubels en porselein, leer en zijde geproduceerd; Franse uurwerken werden lange tijd als de meest precieze beschouwd. De eerste die stof op naaimachines liet verwerken was eveneens een Fransman: Barthélemy Thimonnier had er echter geen geluk mee, want in 1830 sloegen verontwaardigde kleermakers zijn Parijse fabrieksinstallatie kort en klein.
De industrialisatie kwam aarzelend op gang, niet in de laatste plaats gestimuleerd door maatregelen van de staat na de Revolutie van 1789: de invoering van de Code Civil ging met de opheffing van de oude gildenbeperkingen en de binnenlandse tol gepaard, er werd een stabiele munteenheid gecreëerd en de Banque de France werd opgericht. De staat engageerde zich ook op het gebied van de aanleg van straten en kanalen.
Frankrijk bleef echter tot ver in de 20e eeuw gekenmerkt door de landbouw. Immers, de grote industriecomplexen concentreerden zich in enkele regio’s, vooral in het noorden en oosten van het land. Rond 1830 waren er drie centra van de katoenspinnerij ontstaan: rond Rouen in Normandië, tussen Lille en Roubaix in het noorden en de modernste in de Elzas. In Mühlhausen ontwikkelde zich daaruit een productieve machinebouw die ten slotte spinmachines en weefgetouwen naar heel Europa ging exporteren.
Rond 1850 ontstond er in de regio Pas-de-Calais een intensieve kolenmijnbouw. De andere grote mijnbouwstreek lag in Lotharingen. Daar profileerden zich meerdere generaties van de industriefamilie De Wendel, die naast kolenmijnen ook ijzersmelterijen bedreven en die zich voor de nieuwe technieken uit Engeland inzetten: zij voerden bijvoorbeeld al vroeg de stoommachine en de ‘puddeloven’ in, die de ijzerkwaliteit enorm verbeterde.
De beroemdste ijzerfabriek van Frankrijk is echter waarschijnlijk Le Creusot. In 1784 werd ze door de staat opgericht net als de representatieve zoutfabrieken en glasmanufacturen. Ze ging echter pas een rol van betekenis spelen toen de industrieel Eugène Schneder de fabriek in 1836 overnam. Op dit tijdstip begon de industrialisatie van Frankrijk echt vaart te krijgen – niet in de laatste plaats doordat men was begonnen met het aanleggen van spoorwegen.In Le Creusot werd al gauw de eerste Franse locomotief gebouwd en de familie Schneider legde met de productie van rails en wapens de grondsteen voor een imperium.
Hoe sterk de invloed van het Ancien Régime echter nog was, bleek wel bij de invoering van de auto aan het einde van de eeuw. Dit luxeproduct werd vooral door leden van de adel en de geldaristocratie gekocht. Franse bedrijven zorgden ervoor dat de uitvinding zich überhaupt kon verspreiden – immers, bedrijven als Peugeot, Panhard et Levassor en spoedig ook Renault bouwden en verkochten meer auto’s dan de kleine uitvinderswerkplaatsen in Duitsland dat ooit hadden gekund. Ze leverden ook aan de welgestelden op de belangrijke Britse markt en ontwikkelden zich uiteindelijk met auto’s voor iedere portemonnee tot ook nu nog toonaangevende producenten.
