

De industriële revolutie in Europa kwam niet als een donderslag bij heldere hemel maar breidde zich geleidelijk aan over het continent uit. Een van de aanzetten hiervoor was de ongewoon sterke bevolkingsgroei vanaf het midden van de 18e eeuw. Hierdoor ontstond er een enorm reservoir aan arbeidskrachten. Tegelijkertijd waren er ook nieuwe, efficiëntere productiemethodes voor de verzorging van de vele mensen nodig. Groot-Brittannië beschikte in deze situatie over twee voordelen: een winstgevende, kapitaalkrachtige landbouw en een verbazingwekkend potentieel aan creatieve uitvinders. Daarom gaf het Verenigd Koninkrijk ongeveer vanaf 1750 circa 100 jaar lang het ritme van de ontwikkeling voor Europa aan.
Op de Britse eilanden ontstonden eerst de spinmachines, dan volgden de machinale weefgetouwen en al gauw schoten de textielfabrieken als paddenstoelen uit de grond. Gelijktijdig brak er een hausse in de ijzerindustrie uit. Sinds men van steenkool cokes kon maken, had men een uitstekende, welhaast onuitputtelijke brandstof voor het smelten van ijzererts gevonden. Toen dan ook nog de stoommachines opkwamen, waarmee men de gloed van de hoogovens pas echt kon aanwakkeren, staken spoedig overal in de kolenrijke gebieden de schachttorens en schoorstenen van de ijzerfabrieken de lucht in.
Arbeidskrachten stroomden naar de nieuwe industriecentra; binnen enkele jaren veranderden dorpen in grote steden waar massa’s mensen onder miserabele omstandigheden in propvolle ‘arbeidskazernes’ en vochtige kelders moesten wonen. De werktijd bedroeg 14 uur, steeds in het ritme van de machines. Vrouwen moesten voor minder loon even hard werken, vooral in de mijnen en de textielfabrieken. Ook de kinderen werden zonder scrupules uitgebuit. Steeds was er de dreiging van werkeloosheid en honger. De vertwijfeling mondde vaak uit in bloedige opstanden en ‘machinestormers’ probeerden tevergeefs de ontwikkeling tegen te houden. De nieuwe uitvindingen grepen als tandwielen in elkaar: men verbeterde het ijzer, daarvan werden rails gesmeed, waarover de stalen stoomlocomotieven met wagons vol met staal en cokes reden.
Frankrijk, de concurrerende grote mogendheid, bleef niet achter bij Groot-Brittannië. De verbruikte hoeveelheid katoen in de textielfabrieken steeg in de 18e eeuw al vijf keer zo snel als op de Britse eilanden. Franse fabrikanten concentreerden zich op eindproducten, vaak ook luxeartikelen, zoals zijde, porselein en lederwaren. Deze traditionele ambachten werden geleidelijk gemechaniseerd en zo ontstonden ook in de zijdeverwerking de eerste grote stakingen. De vakarbeiders in Lyon streden in de jaren 1830 voor de invoering van minimumlonen. Aangezien Frankrijk over relatief weinig bodemvoorraden aan kolen en ijzer beschikt, ontstonden er pas mijnen en ijzersmelterijen tijdens de aanleg van de spoorwegen in het midden van de 19e eeuw. Langzaamaan verschoof het zwaartepunt van de werkgelegenheid van de agrarische sector naar de industriële productie.
De industriële revolutie in Europa had vele verschillende gezichten. België, een van de eerste industrielanden, kon steunen op grote voorraden ijzererts en steenkool en een sterke traditionele textielnijverheid. Daarom verliep de ontwikkeling op soortgelijke wijze als in Groot-Brittannië. Ook in Zwitserland ontstond er een vroege, echter compleet andere structuurverandering: het gebrek aan grondstoffen compenseerde men hier door specialisatie op nicheproducten uit de zijdeweverij, de katoenverwerking en de machinebouw, inclusief het maken van uurwerken. De staten aan de rand van het continent echter, Spanje, Griekenland en de Balkan, voerden weliswaar hun export van landbouwproducten en grondstoffen op, maar konden gedurende lange tijd geen industriële productie opbouwen.
In Duitsland deden de nieuwe productiemethodes pas laat hun intrede omdat het land in zoveel deelstaatjes opgedeeld was. Na de douane-unie van 1834 ontwikkelde zich echter door de aanwezigheid van kolenmijnen in Opper-Silezië, aan de rivieren Saar en Ruhr een productieve zware industrie. Tegelijkertijd gaf de bouw van de spoorwegen de beslissende impuls voor de expansie van de staalproductie en de machinebouw. Dankzij hoge kapitaalreserves en een goed opleidingsniveau konden Duitse bedrijven in de tweede fase van de industrialisatie, aan het einde van de 19e eeuw, bij de nieuwe chemische en elektrotechnische technologieën een leidende positie innemen. Parallel hieraan won de arbeidersbeweging aan kracht: in 1863 ontstond in Duitsland de eerste arbeiderspartij en in 1869 volgde de SPD. Pas in 1906 werd de Britse Labour Party opgericht.
Rond deze tijd werd in heel Europa de controle van de arbeidersverenigingen losser. Ook al leidden stakingen nog steeds tot bloedige confrontaties met de staatsmacht, toch konden er in veel landen legale vakbonden worden opgericht – deels waren deze marxistisch georiënteerd, deels verlangende ze fundamentele sociale hervormingen. Rond 1900 rolden er steeds weer golven van stakingen over de grote industrielanden. De voor het eerst massaal georganiseerde arbeiders hadden succes en kregen meer loon, eisten werkdagen van 12 uur, en al gauw van 10 uur.
De wettelijke beperking van kinder- en vrouwenarbeid in 1842 in Groot-Brittannië leverde de eerste verbeteringen van de werkomstandigheden op. Frankrijk en Pruisen volgden. Om de sociale conflicten te depolariseren richtte de Duitse regering in de jaren 1880 voor de arbeiders verzekeringen op voor ziekte, ongevallen en oudedagsvoorziening. Tegelijkertijd echter nam in de fabrieken het tempo van de machines weer toe en in veel industriesteden woonden ook toen nog duizenden in grote armoede en onder catastrofale hygiënische omstandigheden in overbevolkte wijken.
Pas in 1860 begon in Nederland het industrietijdperk. Voor het uitbreiden van de zware industrie en de spoorwegen was het grondstofarme en door waterwegen doorsneden landschap amper geschikt. De economie concentreerde zich daarom op de verdere ontwikkeling van de nijverheid van voor de industrialisatie. Vooral de veredeling van landbouwproducten, zoals melk en vlees, schiep de basis waarop de mechanisatie tenslotte haar intrede deed. Aan het einde van de 19e eeuw ontstonden er grote concerns voor de nieuwe industrietakken elektrotechniek en chemie. Nederlandse en Deense boeren ontwikkelden nieuwe verkoopvormen: ze richtten coöperaties op en zo konden ze hun landbouwproducten over steeds grotere afstanden verkopen en gemeenschappelijk op de markt brengen maar bleven tegelijkertijd zelf de eigenaar van hun eigen grond.