Laatste Nieuws:
ERIH Annual Conference 2013 - Save the date - Call for papers now open
ERIH Annual Conference 2013 – Back in the Ruhr
Subject: “Measuring the benefits of industrial...
Call for papers: Rust, Regeneration and Romance: Iron and Steel Landscapes and Cultures
International Conference Announcement and Call for Papers from the Ironbridge International...
Jaarlijkse ERIH conferentie - Registratie is nu geopend
De ERIH Conferentie 2012 en het 5e HollandRoute Forum vindt plaats van 12 tot 14 September 2012 in...

Over de industriële geschiedenis van Duitsland
De eerste Duitse Textielfabriek, gebouwd in 1784 in Ratingen bij Düsseldorf, droeg net zo als het Engelse voorbeeld de naam ‘Cromford’ en was uniek in Duitsland. Omdat dit land in zoveel kleine staatjes opgedeeld was en omdat oude privileges van de gilden pas laat opgeheven werden, deed de industrialisatie pas na 1800 geleidelijk haar intrede.
Ook in Duitsland werd eerst de textielproductie gemechaniseerd, vooral in de gevestigde nijverheidscentra, zoals de garenstad Aken, Krefeld, dat bekend was vanwege zijn zijdeweverij, en Saksen. De eerste Duitse spinmachine ontstond in 1782 in Chemnitz, dat in de machinebouw een leidende rol speelde. In Opper-Silezië werden de thuiswevers door de niet tegen te houden opkomst van de spin- en weefmachines tot hongeropstanden gedreven, die in de literatuur het symbool van dit tijdperk zijn geworden.
Opper-Silezië was een bolwerk van de vroege industrialisatie – hier konden de adellijke grootgrondbezitters kapitaal voor investeringen opbrengen, hier engageerde zich ook de staat Pruisen: in de zilvermijnen testte men het oppompen van water met stoommachines, de mijnbouw groeide en in Gleiwitz ontstond aan het einde van de 18e eeuw de eerste cokeshoogoven. Ook de puddelmethode voor de productie van smeedijzer werd overgenomen van Engeland. In de regio Aken en in het Saarland, beide stonden toen onder Frans gezag, bloeide de mijnbouw eveneens op, maar aan de Ruhr lag nog grotendeels ongerept akkerland. Als een voorbode van het nieuwe tijdperk kwalmde slechts een enkele ijzerfabriek in de burcht Wetter aan de Ruhr.
De aanstoot tot de industriële revolutie gaf de oprichting van de Duitse douane-unie. Toen in 1834 de handelsbarrières tussen de Duitse staten opgeheven werden, ontstond er een attractieve markt: de vraag naar steenkool steeg enorm en de mijnbouwgebieden beleefden een boom. Aan de Ruhr groeiden de dorpen tot dichtbevolkte steden uit toen steeds meer nieuwe mijnen en hoogovens uit de grond gestampt werden – aanvankelijk met kapitaal uit de florerende economie van België en Groot-Brittannië en met duizenden buitenlandse arbeidskrachten. Essen ontwikkelde zich tot een nieuw centrum: met de eerste mijnschacht konden nieuwe kolenvoorraden bereikt worden, de gieterij Krupp produceerde staal voor de spoorwegen, daarna steeds meer kanonnen en legde hiermee de kiem voor een imperium. De firma Hoesch, later ook een van de staalreuzen in het Ruhr-gebied, begon in Eschweiler bij Aken met de productie van rails. Aan de Saar ontstonden de ijzerfabrieken in Neunkirchen en Burbach, in 1873 ontstond de hoogoven in Völklingen.
De spoorwegen bleken de motor van de Duitse industrialisatie te zijn. Hun constructeurs behaalden opmerkelijke resultaten: in 1835 reed de eerste trein tussen Neurenberg en Fürth, enkele jaren later bouwden bedrijven in München en Berlijn reeds eigen locomotieven, haalden al snel hun Britse voorlopers in begonnen met de export. Naast steenkool en staal werd de machinebouw tot een steunpilaar van de groeiende economie en aan het einde van de 19e eeuw namen de Duitse bedrijven een leidende rol over in de voor de toekomst veelbelovende takken chemie en elektrotechniek.
