Over de industriële geschiedenis van België

Het industriële tijdperk van het Europese continent begon in België. De levendige nijverheid had reeds lang haar stempel op dit landgedrukt: de textielproductie floreerde in Vlaanderen, de ijzerverwerking in Wallonië en in het zuiden en oosten zaten er bovendien grote kolenvoorraden in de grond – juist deze sleutelbranches boden zeer goede voorwaarden voor de industrialisatie. Er was intensief contact met Groot-Brittannië en in 1720 werd bij Luik de eerste stoommachine van het continent neergezet: een model van Thomas Newcomen, dat tot doel had om in een kolenmijn het mijnwater naar boven te brengen. Korte tijd later volgde er een stoommachine in de mijnstreek rond Mons en Charleroi – en zo was de richting voor de opkomst van de beide kolen- en staalstreken bepaald. 

In 1792 veroverde Napoleon het land. Zijn heerschappij gaf impulsen aan de economie: hij liet de gilden opheffen en voerde een grotere vrijheid voor de nijverheid in; tegelijkertijd ontstond er in Frankrijk een grote nieuwe markt, niet in de laatste plaats voor de steenkool. 

Een Brit zorgde voor de volgende baanbrekende stap vooruit: in 1799 installeerde William Cockerill in Verviers de eerste wolspinmachine van het continent en legde de grondslag voor een florerende textielstreek. Daarna bouwde Cockerill in Luik een machinefabriek; enkele jaren later begon zijn zoon John in het nabijgelegen Seraing aan de Sambre een al vlug expanderende ijzerproductie. Cockeril-Sambre produceert tegenwoordig staal onder het dak van het gigantische concern Arcelor-Mittal. 

Het enige industriële centrum, behalve de kolenmijnen en hoogovens in Wallonië, ontstond in de oude lakenstad Gent: hier stonden rond 1800 de klossen op een spinmachine te zoemen die de fabrikant Liévin Bauwens uit Groot-Brittannië had gesmokkeld. Toen er een kanaal van Terneuzen naar de monding van de Schelde werd aangelegd, kreeg de stad een directe verbinding met de Zee en droeg al snel de bijnaam “Vlaams Manchester”. 

Een hausse in het aanleggen van kanalen zorgde voor een duurzame verbetering van het transportwezen. Via nieuwe waterwegen werden al spoedig kolen uit de mijnstreek rond Mons en Charleroi naar Noord-Frankrijk en verder naar Parijs verscheept. Brussel kreeg eveneens brandstof via een nieuw kanaal, en het voormalig bloeiende handelscentrum Antwerpen werd aan de Maas, de traditioneel belangrijke handelsweg, aangesloten. 

Na de oprichting van de Belgische staat in 1830 investeerde men opnieuw succesvol in Britse techniek: België werd ook pionier op het gebied van de spoorwegbouw. Tussen 1840 en 1880 groeide het spoorwegnet met een factor 10 – meer dan in Groot-Brittannië zelf. Met het uitgebreide transportwegennet profiteerde het land van de handel met de minder ontwikkelde buren. Niet in de laatste plaats was er in Duitsland intensieve vraag naar Belgische producten, en Belgische financiers en industriëlen droegen in beduidende mate bij aan de opbouw van de fabrieken aan de Ruhr en Emscher. 

Toen Ernest Solvay in 1863 zijn eerste fabriek in Charleroi opende, ontstond er een voor de toekomst belangrijke nieuwe industrietak: hij had een revolutionaire methode uitgevonden om chemische soda te produceren, een grondstof voor de productie van glas, zeep en chemicaliën. De Solvay-fabrieken groeiden uit tot een enorm concern dat tegenwoordig wereldwijd chemische producten, kunststoffen en farmaceutische middelen maakt. 

De Belgische industriestreken vormden aan het eind van de 19e eeuw ook de kiemcel voor de Europese arbeidersbeweging. Meermaals braken er in de kolenmijnen rond Mons en Charleroi door de slechte werkomstandigheden grote stakingen uit. In de textielstad Gent richtten arbeiders coöperaties op en organiseerden zelf eigen bedrijven: van bakkerijen tot een eigen krant en bank.