engels  |  duits  |  frans
Lettergrootte
Mijn ERIH-Route bevat 0 document(en) >>

Europese themaroute Water

Welk Europees land is meer getekend door zijn relatie met het water dan Nederland? Daarom ontwikkelde zich hier dan ook de techniek van de waterbouwkunde het eerst. Begin 17e eeuw begon men in Noord-Holland door drooglegging land te winnen, gemotiveerd door twee doelen: het winnen van nieuwe landbouwgronden en een betere bescherming tegen overstromingen. Een goed voorbeeld is de kleine gemeente Beemster in de buurt van Amsterdam. De bewoners hadden in de natte kuststreek sinds lange tijd turf gestoken – een veelgevraagde brandstof. Echter, in de dieper gelegen, afgestoken, gebieden verzamelde het water zich. Er ontstond een binnenmeer dat in verbinding met de Zuiderzee stond en dat steeds groter dreigde te worden. Dientengevolge begonnen vooral welvarende Amsterdamse kooplieden met een van de eerste droogleggingprojecten. Het principe was steeds hetzelfde: de watergedeelten werden door dijken van de watertoevoer of indien nodig van de open zee afgesloten. Op de oevers en op dijken bouwde men een reeks windmolens die pompen of schoepenraderen aandreven en geleidelijk al het water naar de afwateringssloten pompten.

Het Beemstermeer werd in 1612 drooggelegd. Het vruchtbare land werd verdeeld onder de investeerders. Ook nu nog zijn de kaarsrechte ontwateringkanalen en straten en de dijken en gebouwen die toentertijd volgens een uitgekiend plan waren aangelegd, bewaard gebleven. De Beemsterpolder weerspiegelt zo ook de droom van de renaissance van ideale gemeenschap. Begin 20e eeuw hoorden de boeren uit Beemster overigens tot de eersten die een coöperatie hadden gevormd voor het op de markt brengen van hun melkproductie – in dit geval vooral van hun beroemde kaas.

Van de Nederlandse ervaringen profiteerde ook Groot-Brittannië – reeds lang voor de industriële revolutie: spoedig na de aanleg van de eerste polder engageerde de Britse koning Karel I de waterbouwkundig ingenieur Cornelius Vermuyden uit Zeeland voor indijking- en ontwateringprojecten. Vooral in het laag gelegen marsland van Oost-Engeland was Vermuyden zo succesvol dat de nieuwe machthebber Oliver Cromwell hem na de burgeroorlog in de jaren 1640 opnieuw in dienst nam.

Britse ervaringen waren dan doorslaggevend toen de Nederlanders tijdens de industrialisatie met een van hun grootste landwinningprojecten begonnen: het Haarlemmermeer, een binnenmeer voor de poorten van Amsterdam, moest worden drooggelegd want bij stormvloed drong het water steeds dieper het land in en bedreigde in 1836 zelfs de grote handelsmetropool zelf. De Nederlandse koning Willem I stond voor de keuze: of de enorme watermassa’s met behulp van de sinds eeuwen beproefde windmolens te laten wegpompen of met de nieuwe stoommachines. Een brandend vraagstuk – immers, het Haarlemmermeer had een oppervlak van meer dan 180 km2 en was dus anderhalf keer zo groot als Amsterdam. De koning vestigde zijn hoop op de vooruitgang en kocht daarvoor uitstekende Britse technologie. Hij liet door producenten in Cornwall, waar men al vanaf het moment dat ze waren uitgevonden stoommachines gebruikte, drie machines bouwen waaronder de grootste ter wereld met een vermogen van circa 350 PS. Drieënhalf jaar lang stootten de drie door stoom aangedreven pompstations dan 24 uur per dag zwarte rookwolken uit – en in 1852 was het Haarlemmermeer drooggelegd. De pompen moesten daarna nog slechts af en toe draaien om de nieuwe polder ook op lange termijn droog te houden. De grootste van de drie installaties werd later tot ’s werelds eerste industriemonument uitgeroepen.

In de overbevolkte industriesteden werd de waterbouwkunde in die tijd nog met een ander probleem geconfronteerd. Honderdduizenden mensen woonden daar dicht op elkaar: hoe kon men hen van schoon drinkwater voorzien? De oude leidingen naar de verafgelegen drinkwaterbronnen konden het allang niet meer aan en de rivieren waaruit men normaalgesproken het water haalde, waren door huishouds- en fabrieksafval hopeloos vervuild. Bovendien waren de bronnen door de nabijgelegen excrementenkuilen gecontamineerd. En hoe kon men die enorme hoeveelheden afvalwater en fecaliën kwijt die deze mensenmassa’s produceerden? Tyfusepidemieën en vooral de grote choleragolven die in het midden van de 19e eeuw duizenden slachtoffers vergden, dwongen de stadsbesturen die het tot dan toe niet hadden aangekund, ten slotte tot handelen.

Men begreep dat de ziekteverwekkers niet uit de lucht kwamen, zoals lange tijd was aangenomen, maar uit het vervuilde water. In Londen begon men in 1852 ermee om het water uit de Theems door mechanische zandfiltratie voor het gebruik te zuiveren. Eerste stappen op weg naar een gecontroleerde verwijdering van het afvalwater volgden. Echter, pas na het beruchte ‘Year of the Great Sink’, 1852, toen de geur van de Theems ook de voorname leden van het parlement de adem benam, begon men met duurzame maatregelen voor een riolering. De spoorwegingenieur Joseph Bazalgette ontwierp een uitgebreid leidingennet waarin al het afvalwater werd verzameld. Dat werd in bekkens ten oosten van de stad opgevangen en tijdens eb naar de Noordzee geleid. Tegelijkertijd liet hij de aangeslibde oevers van de Theems indijken en won zo nieuw land voor leidingen.

In Parijs hield de planoloog Georges Haussmann, die de binnenstad vanaf 1854 radicaal in een representatief centrum liet veranderen, zich ook bezig met de watervoorziening. Zijn ondergrondse rioleringen waren dusdanig met vooruitziende blik geconcipieerd dat daarin niet alleen plaats was voor drinkwater- en gasleidingen maar zelfs voor een spoorwegnet voor vuilniswagens. Echter, ook Haussmann liet het vuil buiten de stadsgrenzen in de Seine deponeren.

Er werd toentertijd reeds heftig over de enorme vervuiling van de rivieren in dichtbevolkte gebieden gediscussieerd. Hygiënisten die op internationaal vlak het probleem besproken, ontdekten al snel dat het zelfreinigend vermogen van de rivieren niet voldoende was om het afvalwater van de dramatisch groeiende grote steden te zuiveren. Beïnvloed door gerenommeerde wetenschappers als Justus Liebig en Rudolf Virchow probeerde men in Berlijn het probleem op een andere manier op te lossen: het afvalwater werd deels door een nieuw rioleringsnet weggeleid en deels werd het in vaten uit kuilen afgehaald. Aan de rand van de stad goot men het dan op vloeivelden zodat het biologisch werd gezuiverd en tegelijkertijd als meststof voor de landbouw diende. Pas later bleek welke gezondheidsrisico’s de producten van deze velden op hun beurt dan weer opleverden.

Duitse stadsbesturen lieten in toenemende mate rioleringsnetten aanleggen. Het afvalwater werd in zuiveringsinstallaties eerst met roosters en zeven grof gezuiverd en vaak voegde men ook chemicaliën toe die doelgericht schadelijke stoffen lieten neerslaan. Toch stroomde het afvalwater begin 20e eeuw grotendeels nog steeds ongezuiverd de rivieren en meren in of naar de zee.

De kwaliteit van de drinkwatervoorziening liet eveneens veel te wensen over. In Groot-Brittannië begon men begin 20e eeuw met het toevoegen van chloor om bacteriën effectief te kunnen doden. In Duitsland beschikte minder dan de helft van de steden over een centraal watervoorzieningsysteem. In sommige plaatsen werd echter reeds zuiver water uit stuwmeren aangevoerd dat, gefiltreerd en gezuiverd, met behulp van door stoom aangedreven pompen in hooggelegen reservoirs of watertorens werd opgeslagen. Zo kon men het door gietijzeren persleidingen naar de bovenste etages in woonhuizen laten stromen – na catastrofale branden in dichtbevolkte gebieden had men geleerd hoe belangrijk de watervoorziening ook voor de brandbeveiliging was.