engels  |  duits  |  frans
Lettergrootte
Mijn ERIH-Route bevat 0 document(en) >>

Europese themaroute textiel

De duizenden gonzende spoelen op de spinmachines van de katoenfabrieken zijn het symbool van de industrialisatie geworden. De Britse ‘cotton mills’ waren inderdaad pioniers en stonden model voor de industriële revolutie – maar de eerste textielfabriek was een zijdetwijnderij. Deze werd al in 1720 in Derby gebouwd: op vijf verdiepingen draaiden er, aangedreven door waterkracht, meer dan 26.000 spoelen. Het centrum van de zijdeverwerking lag sinds de middeleeuwen in Italië, en de machines kwamen dan ook daarvandaan. Men kon er echter niet mee spinnen maar dunne zijden draden tot dikker getwijnd garen in elkaar draaien.

Een voorloper van de mechanisatie was ook de vliegende weversschietspoel die in 1733 door de Brit John Kay werd uitgevonden. De wevers konden er sneller mee produceren want ze moesten de spoel immers niet meer met de hand door de ketting- of scheringdraden schuiven, dwars over de hele weefstoel. Echter, de uitvinding van Kay bleef een geïsoleerde stap – tot de weefmachine zou het nog een lange weg blijken te zijn. De machinering van de textielbranche begon bij het spinnen.

Het eclatante gebrek aan garen in de wolindustrie, een van de belangrijkste Britse economische takken, leidde ertoe dat men probeerde om het werk van de spinster te mechaniseren. Zij wint uit een bundel ragfijne, korte vezels, het ‘vlies’, een draad door de vezels met de hand op te rekken en onder spanning in elkaar te draaien. De uitvinders Lewis Paul en John Wyatt ontwikkelden in de jaren 1730 een machine met twee vlak naast elkaar staande tegengestelde walsen die de vezels oprekten. Het in-elkaar-draaien en het opwikkelen van de verkregen garens gebeurde net als bij het spinnewiel door middel van spoelen.

Pas in 1769 slaagde Richard Arkwright erin om op deze basis een spinmachine te bouwen die ook voor de praktijk geschikt was en die stevige katoenen garens voor de scheringdraden van het weefgetouw leverde. Hij liet deze machine door waterkracht aandrijven en daardoor kreeg de machine de bijnaam ‘Waterframe’. Arkwright richtte zijn eerste spinfabriek in Cromford op, bouwde een compleet imperium op en werd een van de machtigste ondernemers van de industrialisatie.

Een alternatieve oplossing bood de ‘Spinning Jenny’, die de wever James Hargreaves in 1764 had ontwikkeld. Hij gebruikte twee planken om de greep van de spinster bij het oprekken van de vezels te imiteren en combineerde deze klem met meerdere spoelen. Voor de bediening van de machine was een ervaren vakkracht nodig maar de productiviteit lag veel hoger dan bij het handspinnewiel. Omdat ‘Jenny’ losjes gedraaide inslagdraden produceerde, was ze de ideale aanvulling op de ‘Waterframe’ en zou nog tientallen jaren in de huisnijverheid worden gebruikt.

In 1779 stelde Samuel Crompton uit Lancashire ten slotte een machine voor die de voordelen van de beide voorlopers combineerde: met zijn ‘mule’ kon men niet alleen schering- en inslagdraden spinnen maar ook veel fijner garen produceren. In het daaropvolgende decennium explodeerde de Britse katoenverwerking. Overal schoten machinespinnerijen als paddenstoelen uit de grond – volgens het model van Arkwrights eerste fabriek: lange bakstenen gebouwen met meerdere verdiepingen, met waterradaandrijving, die voor circa 1000 spoelen waren bedoeld.

De ‘mule’ van Crompton werd spoedig voor aandrijving door een stoommachine aangepast maar de doorslaggevende vernieuwing kwam pas in de jaren 1820: de machinebouwer Richard Roberts was erin geslaagd om de spinmachine compleet te automatiseren. Met zijn ‘selfactor’ werd ook de laatste vakman overbodig. De spinners die hun inkomsten in rook zagen opgaan, reageerden met vertwijfelde en hevige protesten.

De laatste grote verandering was de betrouwbaardere ringspinmachine. Deze werd in 1828 in de VS ontwikkeld en won in de reeds sterk geïndustrialiseerde Britse industrie slechts langzaam terrein. Technisch was de overgang naar het machinale spinnen hierdoor opgelost; de mechanisatiegolven en de weerstand ertegen verschoof daardoor naar de weverij.

Reeds in de jaren 1780 had Edward Cartwright een geautomatiseerd weefgetouw ontworpen. Hij nam alle basiselementen van het handweefgetouw over en ontwierp deze voor aandrijving door een krachtmachine: van het vormen van het ‘vak’ van scheringdraden waar een spoel met de inslagdraad doorheen vliegt tot aan het opwikkelen van het weefproduct. De eerste machines waren echter niet productiever dan het handweefgetouw. Pas vanaf 1822, toen opnieuw Richard Roberts de technische details had vervolmaakt en de apparaten voor het grootste deel van ijzer en staal waren gemaakt, wonnen ze terrein. Massa’s handwevers verloren hun bron van inkomsten en in de machineweverijen werden de laatste vakarbeiders door goedkopere, halfgeschoolde arbeidsters vervangen. Bij de protesten werden machines kapot geslagen, constructeurs vervolgd en er ontstonden bloedige, burgeroorlogachtige confrontaties.

De complete productie was nu gemechaniseerd, van de bol vezels tot aan de stof die kon worden verkocht. De productie vond steeds meer in fabrieken plaats waarin zowel werd gesponnen als ook geweven. Wereldwijd nummer een was het graafschap Lancashire met de haven Liverpool, een belangrijke beurs en de expanderende industriestad Manchester. Honderdduizenden die op het platteland geen werk meer konden vinden, trokken naar de steden. De textielsector ontwikkelde zich tot de belangrijkste tak van de Britse economie, waarbij de katoenverwerking bovenaan stond. Om aan de almaar groeiende vraag te kunnen voldoen, werden er in Amerika katoenplantages aangelegd.

Eind 18e eeuw begon de industrialisatie vanaf het Britse eiland ook door te dringen in andere landen. In 1783 richtte de Duitse ondernemer Johann Brügelmann in Ratingen de eerste katoenspinnerij van het Europese continent op die net als haar voorbeeld ‘Cromford’ werd genoemd. Volgens het model van Arkwrights installaties ontstonden er daarna ook fabrieken in Frankrijk en Bohemen.

Omdat de mechanisatie in de weverij duidelijk later haar intrede had gedaan dan in de spinnerij, konden andere landen met Groot-Brittannië tred houden: vooral in de staten van New-England in de VS, in Frankrijk, Zwitserland, Duitsland en België ontstonden er industrieën die konden concurreren en die bovendien een bijdrage leverden aan de verdere technische ontwikkeling. Een schoolvoorbeeld was de door de Fransman Joseph Maria Jacquard geautomatiseerde weverij: hij hield de meest verschillende combinaties van weefdraden op ponskaarten bij. De wevers konden met een simpele voetbeweging dit eerste industriële ponskaartenregelmechanisme activeren.

De revolutie van de katoenverwerking leverde voor de industrialisatie geen fundamentele vernieuwingen op die invloed zouden kunnen hebben gehad op andere industrietakken. Echter, met de gecentraliseerde productie in fabrieken zorgde ze voor het basismodel voor de sociale veranderingen: op de plaats van een agrarische, door grondbezit bepaalde samenleving kwam de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid te staan.