Laatste Nieuws:
ERIH Annual Conference 2013 - Save the date - Call for papers now open
ERIH Annual Conference 2013 – Back in the Ruhr
Subject: “Measuring the benefits of industrial...
Call for papers: Rust, Regeneration and Romance: Iron and Steel Landscapes and Cultures
International Conference Announcement and Call for Papers from the Ironbridge International...
Jaarlijkse ERIH conferentie - Registratie is nu geopend
De ERIH Conferentie 2012 en het 5e HollandRoute Forum vindt plaats van 12 tot 14 September 2012 in...

Europese themaroute productie en handel
Karakteristiek voor het pre-industriële tijdperk is de met de hand vervaardigde textielproductie die thuis plaatsvond. Achter het weefgetouw zat de vader van het gezin, de vrouwen waren verantwoordelijk voor het spinnen van het garen. Een ondernemer, die ‘uitgever’ werd genoemd, leverde de grondstof en organiseerde de verkoop van de producten – ook toen al over grote afstanden. De textielproductie, de belangrijkste industrie van Europa, was in principe sinds de 16e eeuw volgens het ‘uitgeverssysteem’ georganiseerd.
De voorlopervorm van fabrieken ontwikkelde zich in de 17e eeuw, toen een relatief groot aantal arbeidskrachten in ‘manufacturen’ werd geconcentreerd: in de textielproductie, maar vooral ook in technische branches als de glas- en zoutproductie en de smelterijen en pletterijen. In Frankrijk produceerden koninklijke manufacturen op grote schaal gobelins, meubels en porselein. De processen waren reeds met behulp van arbeidsverdeling georganiseerd en de werknemers moesten zich aan een strenge discipline houden. Echter, het werk ging grotendeels nog met de hand. Het doorslaggevende element dat uiteindelijk de hele arbeidswereld op zijn kop zou stellen, was de mechanisatie.
Met de grote spinnerijen in het Britse graafschap Lancashire, waarin een waterrad circa 1000 klossen kon aandrijven, begon aan het eind van de 18e eeuw het fabriekstijdperk. Daarna kwam ook nog de stoommachine op, waardoor de productie onafhankelijk van standplaatsen langs snel stromende rivieren werd en daardoor de machinale spinnerijen en weverijen en spoedig ook de gehele Britse economie opbloeiden.
Vanaf dat moment dicteerden machines de organisatie en het tempo van het werk – en niet alleen in de textielproductie: de econoom Adam Smith berichtte over een fabriek waar de productie van een speld in 18 stappen was verdeeld. De Engelse pionier Josiah Wedgwood opende in 1769 in Stoke-on-Trent de porseleinfabriek ‘Etruria’. Terwijl de ambachtsman vroeger de weg van zijn product had gevolgd, vanaf de draaischijf via het beschilderen en het branden tot aan de opslag, moesten de arbeiders hier strikt op hun afdeling blijven.
De arbeidsverdeling verhoogde de productiviteit aanzienlijk maar het werk van de arbeiders werd steeds meer tot enkele, zich steeds weer herhalende handelingen gereduceerd. Van het product van hun werk, de trots van de ambachtsman, vervreemdden ze. Aangezien vakkennis haast niet meer nodig was, nam men bij voorkeur vrouwen en kinderen in dienst die men slechter kon betalen dan mannen. De werknemers werden meedogenloos uitgebuit: in de textielproductie moesten vrouwen en kinderen 14-16 uur per dag werken. Ook al kwamen in de loop van de 19e eeuw de eerste sociale verbeteringen, vooral de beperking van de kinderarbeid, toch werden deze tendensen door de invoering van de massaproductie nog verscherpt.
Al in 1797 stelde de Amerikaan Eli Whitney voor om geweergrendels uit verwisselbare delen te monteren in plaats van ze voor ieder wapen apart te maken. Door deze standaardisatie, een basisvoorwaarde van de massaproductie, kon de productie drastisch goedkoper worden gemaakt en worden versneld. Verwisselbare delen wonnen echter pas terrein toen men aan het eind van de 19e eeuw met nieuw metalen gereedschap preciezer dan voorheen kon werken. De productie van uniform kwaliteitsgereedschap ontwikkelde zich dan ook tot een eigen branche: de gereedschapsmachinebouw.
In 1881 begon Frederick W. Taylor in de VS met het opdelen van arbeidsprocessen in hun kleinste delen om ze zo verder te kunnen rationaliseren. Met zijn kwantitatieve analyses legde hij de grondslag voor het ‘taylorisme’: het wetenschappelijke productiemanagement. Het directe gevolg was dat ingenieurs de arbeidsprocessen met het horloge in de hand gingen controleren om de omlooptijden te verminderen.
De laatste stap voor de realisatie van de massaproductie was de introductie van de lopende band. De oorsprong lag in de slachterijen van Chicago en Cincinnatti, de omzetting realiseerde Henry Ford in zijn autofabrieken in Manchester en Detroit vanaf 1911: terwijl op de lopende band het volgende chassis er steeds in hetzelfde tempo aan kwam rollen, moest de arbeider bij de montage nog slechts zo weinig handelingen verrichten dat er geen enkele ‘onproductieve’ beweging meer overbleef. De productiviteit nam plotsklaps dramatisch toe: duurde de montage van een chassis vroeger nog 12,5 manuur, zo had men in 1914 nog maar 93 manminuten nodig. Op deze wijze werden de auto’s van Ford betaalbaar voor elke portemonnee.
In de tweede helft van de 19e eeuw bereikte de industriële productiewijze ook de levensmiddelenproductie. Door de krachtmachines die onafhankelijk van de standplaats energie leverden, konden er grote bakkerijen en brouwerijen worden opgericht en nieuwe technische middelen maakten de verwerking van agrarische producten in toenemende mate onafhankelijk van de cyclus van de jaargetijden.
Een belangrijke stap was de uitvinding van de kunstmatige koeling. De Schot William Cullen demonstreerde in 1784 voor het eerst hoe men aan de omgeving door het verdampen van een vloeistof warmte kan onttrekken. Door compressie van het koelmiddel kan de werkingsgraad van dit proces nog worden versterkt. Het duurde echter nog lang voordat uit deze principes de eerste ook voor de praktijk deugdelijke koelkast ontstond: die werd vermoedelijk in 1835 door de Amerikaan Jacob Perkins gebouwd. Circa 20 jaar daarna werd de koelkast door de Australiër James Harrison in de vlees- en brouwerij-industrie geïntroduceerd.
De bierproductie werd daardoor ook in de zomer op grote schaal mogelijk. Tegelijkertijd leerde men met behulp van de thermometer de temperatuur van het beslag en met de saccharometer het gehalte aan stamwort te controleren: een verwetenschappelijking die voor de gehele levensmiddelenproductie karakteristiek was.
Een andere stap was het houdbaar maken. Dat levensmiddelen langer houdbaar bleven als ze bij een bepaalde temperatuur in een gesloten bakje werden verhit, had in 1809 de Fransman Nicolas Appert ontdekt die voor de verzorging van de legers van Napoleon verantwoordelijk was. Dat blik hiervoor het geschiktst was, vond zijn Britse collega Peter Durand uit. Echter, pas in 1863 ontdekte de wetenschapper Louis Pasteur de microben, die bij de verhitting worden gedood. De productie van conservenblikjes breidde zich vooral in de VS snel uit en zo werd dat land spoedig marktleider op dit gebied.
Ook het houdbaar maken van melk is een gevolg van de behoeften van het leger: tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog in de jaren 1860 ontwikkelde Gail Borden de condensmelk. Een Zwitserse firma bracht deze op de Europese markt, fusioneerde al spoedig met het bedrijf van Henry Nestlé, de uitvinder van de babyvoeding, zodat de condensmelk uiteindelijk onder diens naam beroemd werd.
Er ontstond in de melkproductie aan het eind van de 19e eeuw de nieuwe bedrijfsvorm van de coöperatie: vooral in Nederland, Scandinavië en Noord-Duitsland sloten zich melkboeren aaneen om samen hun waren op de markt te brengen. In coöperatieve melkerijen produceerden ze boter of kaas volgens uniforme standaards en hierdoor konden ze grotere markten veroveren,zelfs tot over de landsgrenzen. Deze standaardisatie van levensmiddelen, met toenemende onafhankelijkheid van het tijdstip en de regio van productie, wordt tot op de dag van vandaag verder doorgevoerd.
