Laatste Nieuws:
ERIH Annual Conference 2013 - Save the date - Call for papers now open
ERIH Annual Conference 2013 – Back in the Ruhr
Subject: “Measuring the benefits of industrial...
Call for papers: Rust, Regeneration and Romance: Iron and Steel Landscapes and Cultures
International Conference Announcement and Call for Papers from the Ironbridge International...
Jaarlijkse ERIH conferentie - Registratie is nu geopend
De ERIH Conferentie 2012 en het 5e HollandRoute Forum vindt plaats van 12 tot 14 September 2012 in...

Europese themaroute industrielandschappen
Pas aan het eind van de 19e eeuw, met de tweede fase van de industrialisatie, begonnen de kale bergen met afvalstenen en met roet bedekte fabriekshallen, eindeloze rijen grijze arbeiderswoningen en het spoorwegennet met stalen rails tot grootschalige industrielandschappen aaneen te groeien. Echter, ook veel vroeger hadden mensen al nieuwe landschappen vormgegeven – niet slechts daar waar waardevolle bodemschatten hen hiertoe verleidden.
In Nederland begon men aan het eind van de 17e eeuw met het veroveren van land op de zee: als bescherming bij stormvloed en om de hoeveelheid landbouwgrond te vergroten. Tot de eerste voorbeelden hiervan behoort de polder bij het plaatsje Beemster in Noord-Holland, niet ver van Amsterdam. Daar had een binnenmeer, dat door toevoer van water van de Zuiderzee werd gevoed, zich op dermate bedreigende wijze uitgebreid dat een groep investeerders bijeenkwam, vooral Amsterdamse kooplieden, en het meer liet indijken en het water geleidelijk liet afpompen. Toen het meer in 1612 was drooggelegd, verdeelden ze de vruchtbare grond, legden kaarsrechte kanalen en wegen aan en stichtten op geschikte plaatsen nederzettingen en schiepen zo volgens een weldoordacht concept een nieuw polderlandschap.
In het midden van de 18e eeuw ontstond in Europa het toerisme. Wie het zich kon veroorloven, reisde naar Italië, Engeland en soms ook naar de tuinen van het ‘Wörlitzer Gartenreich’ in het oosten van Duitsland. Daar had Leopold Friedrich Franz, de ‘Fürst von Anhalt-Dessau’ een microkosmos volgens de idealen van de Verlichting geschapen. Geïnspireerd door de Engelse tuinen liet hij een nieuw tuinenlandschap aanleggen, zonder de traditionele regels van de barok: met schilderachtige, op natuurlijke wijze gegroeide bomen en struiken en wegen met veel bochten in plaats van gesnoeide bomen en geometrisch geordende bloembedden. De esthetische vormgeving had tegelijkertijd een opvoedkundig doel, want ze moest indrukken en gevoelens van de wandelaars stimuleren.
Het totaal kunstwerk van Wörlitz verenigde het aangename met het nuttige, want de vertegenwoordigers van de verlichting hoopten dat ze volgens de regels van de ratio de wereld konden verbeteren. Fürst Franz hervormde de landbouw volgens de nieuwste ontdekkingen van de opkomende natuurwetenschappen en richtte scholen voor de bevolking op. Voordat het conflict tussen boeren, burgers en adel in 1789 tijdens de Franse Revolutie ontbrandde, probeerde hij met zijn verlicht absolutisme een ‘derde weg’ uit. Dat valt ook vandaag de dag nog van het tuinenlandschap rondom Wörlitz af te lezen.
Vroege, quasi-industriële nijverheid had eveneens haar stempel op het landschap gedrukt. Vooral de niet te stillen behoefte aan hout – als bouwmateriaal en brandstof onvervangbaar! – leidde sinds de Klassieke Oudheid tot ontbossing en dientengevolge tot onvruchtbare grond in complete landstreken. In de 19e eeuw nam deze roofbouw nog drastisch toe. In Blaenovon in Zuid-Wales bijvoorbeeld, een van de geboorteplaatsen van de industriële revolutie, werd in 1789 een ijzerfabriek met drie hoogovens uit de grond gestampt en daarna ontstond er in deze verlaten streek een dramatische bedrijvigheid. In de bergen werden schachten en mijngangen voor de winning van kolen en ijzererts aangelegd, en men won in steengroeven kalksteen dat voor het smelten van ijzer nodig was. Er ontstonden kunstmatige vijvers als opvangbekkens voor mijnwater of als waterreservoirs voor de stoommachines. Men legde op de hellingen en in de dalen spoedig ook rails voor de mijntreinen en in de bergen zelf werden tunnels aangelegd. Vandaag de dag zijn de mijnschachtopeningen en de bergen afvalgesteente nog grotendeels zichtbaar, even als de ruïnes van de bedrijfsgebouwen en de open groeven – sporen van generaties van arbeiders die hun stempel op het land hebben gedrukt.
Op welke wijze de zware industrie de onderste lagen naar boven haalde, illustreren berichten van tijdgenoten uit het dal van de Rhondda, eveneens in Zuid-Wales. In 1850 prezen reizigers nog de “Parel van Glamorganshire” met zijn met bossen bedekte klippen, “het smaragdgroen van de weilanden”, “de aromatische geur van wilde bloemen en bergplanten” en de zondagse stilte. Dan komt de kolenwinning: de Rhondda wordt “een donkere, vergiftigde afvoergoot, enorme bergen afvalgesteente bedekken de verwoeste, kale heuvels, en dag in dag uit, jaar in jaar uit hoort men het lawaai van de stoommachines, het gonzen van de machines en het hameren van de smeden”. Uiteindelijk wordt er in meer dan 400 mijnen aan de Rhondda en haar zijrivieren steenkool gewonnen, de arbeidersnederzettingen groeien aan elkaar tot een lange huizenrij en boven de zwart geworden dalen hangt steeds een rookwolk.
Het grootste industriegebied op het vasteland van Europa ontstond aan het eind van de 19e eeuw in het westen van Duitsland. De industrialisatie aan de Ruhr en de Emscher won geleidelijk aan snelheid, nadat in 1834 de Duitse Douane-Unie was opgericht en in 1847 door de aanleg van het spoorwegtraject Keulen-Minden de eerste moderne verkeersverbinding was gecreëerd. Tot op dat moment zat de Emscher nog vol met vissen en kreeften, en langs de met riet begroeide oevers draaiden de raderen van enkele watermolens. Daaromheen lag een dunbevolkt landbouwgebied en in de ontoegankelijke heidegebieden graasden wilde paarden. Meer mensen woonden er aan de Ruhr, in de vruchtbare streek aan de ‘Hellweg’, de traditionele handelsverbinding met oude steden, zoals Duisburg, Essen en Dortmund.
In de tweede helft van de 19e eeuw begonnen de steden te expanderen. Plaatsen, zoals Oberhausen en Gelsenkirchen, ontstonden praktisch uit het niets; op landbouwgrond bouwde men schoorstenen en schachttorens. Echter, de landbouw werd nog belangrijker, omdat de vraag door het gestegen aantal arbeiders groeide en de akkers dankzij nieuwe mestsoorten hogere opbrengsten opleverden. Pas vanaf de jaren 1890 steeg de behoefte aan grond van de zware industrie dramatisch, het spoorwegennet groeide en het aantal inwoners explodeerde. De rechtgetrokken en ingebedde rivieren, vooral de Emscher, kregen het officiële doel om het afvalwater van de fabrieken naar de Rijn de leiden. Spoedig na de eeuwwisseling zagen fabrikanten en politici het Emscher-gebied als een “grote, aan de Rijn gelegen stad”.
In de 20e eeuw expandeerde in Duitsland de bruinkoolwinning in open groeves, eveneens een industrietak die behoefte had aan grote hoeveelheden landoppervlak. In mijnbouwstreek in het oosten tussen Leipzig en Cottbus liet het energieconcern AEG tijdens de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld de bruinkoolcentrale Zschornewitz bouwen, een vroeg voorbeeld van een gigantisch, functioneel industriebouwwerk. Reeds toen gaf men dorpen prijs voor het winnen van de bruinkool. Het principe is nog steeds hetzelfde: het gat waar de reusachtige baggermachines de bruinkool uit de grond krabben, verplaatst zich langzaam verder; immers, aan de kant waar ‘verse grond’ wordt aangesneden, wordt de aardlaag boven de bruinkool verwijderd en aan de andere kant op het afgegraven terrein gestort. Aangezien op het eind het volume van de bruinkool ontbreekt, blijven er na de winning restgaten over die geleidelijk met het weggepompte grondwater worden gevuld. In het oosten van Duitsland probeert men deze gaten sinds het einde van de bruinkoolwinning als recreatiegebieden te gebruiken. In de bruinkoolstreek in het westen van Duitsland tussen Keulen en Aken, waar sinds de jaren 1950 op grote schaal bruinkool wordt gewonnen, worden de afgegraven terreinen met veel inzet gerecultiveerd. Echter, de dorpen die moesten worden verplaatst, de nieuwe natte biotopen en de kunstmatige heuvels blijven als een pas geschapen, kunstmatig landschap herkenbaar – en achter de jonge berkenbosjes gaat het graven door.
