engels  |  duits  |  frans
Lettergrootte
Mijn ERIH-Route bevat 0 document(en) >>

Europese themaroute ijzer en staal

Wie ijzer wil laten smelten, moet zich eerst met kolen bezighouden. De natuurlijke steenkool is namelijk niet geschikt voor het maken van ijzer omdat sporenelementen, zoals zwavel, het ijzer bederven. Daarom maakten de smeden vroeger gebruik van houtskool, maar in de 18e eeuw waren de bossen in Europa grotendeels kaalgeslagen en had men een nieuwe brandstof nodig. In 1709 ontdekte Abraham Derby, eigenaar van een ijzersmelterij in het graafschap Shropshire, dat rijk aan kolen is, een oplossing: hij liet steenkool luchtdicht tot cokes verbranden zodat storende elementen konden ontsnappen. Totdat de cokes ingang vonden, duurde het echter nog tientallen jaren: de stoommachine, die James Watt in 1776 voltooide, dreef de blaasbalgen in de hoogoven pas zo betrouwbaar aan dat het gesmolten ijzer gelijkmatig doorgegloeid werd.

De vernieuwingen volgden elkaar toen razendsnel op: in 1784 lukte het Henry Cort om de ijzerkwaliteit wezenlijk te verbeteren. Het ruwijzer uit de hoogoven bevatte nog veel koolstof en was daar alleen maar voor gegoten ijzer geschikt: het was zo brokkelig dat men het niet kon smeden. Cort liet het gloeiende ruwijzer nog een keer in een halfopen ‘puddeloven’ met lange stangen omroeren, zodat de koolstof via de lucht kon ontsnappen. Het product kan men al ‘staal’ noemen – pas later werd bepaald dat staal niet meer dan 1,6 % koolstof mag bevatten. Het zeer belastbare gepuddelde ijzer werd grondstof voor de Britse zware industrie. Men kon er ploegen en wapens uit smeden, maar er konden ook walsen, plaatstaal, buizen en rails van gemaakt worden. IJzer verdrong het hout en werd de universele grondstof. In Shropshire en in de omgeving van Sheffield in Midden-Engeland, in het zuiden van Schotland en in Wales schoten de schoorstenen en hoogovens als paddestoelen uit de grond.

Andere Europese regio’s bereikten het Britse niveau pas in de 19e eeuw: het Belgische ijzergebied aan de Sambre en de Maas beleefde een sterke hausse toen in 1827 in Charleroi de eerste cokeshoogoven in werking gesteld werd. De Duitse ijzerindustrie ontwikkelde zich eerst in Opper-Silezië en aan Saar, verder stonden er ook enkele fabrieken midden tussen de akkerlanden, bijvoorbeeld in Wetter an der Ruhr of in Rasselstein bij Neuwied. Pas na de douane-unie van 1834 kwam de Duitse economie op gang. Aan de Ruhr ontstonden binnen enkele decennia de schachttorens, hoogovens en arbeiderswijken van een dichtbebouwd industrielandschap.

In deze ‘ijzer-hausse’ liet de technische vooruitgang niet lang op zich wachten: Henry Bessemer, ook een Brit, vond in 1855 een nieuw, peervormig vat uit waarin de koolstof uit het gesmolten ijzer kon worden verwijderd. In plaats van het gesmolten ruwijzer in de puddeloven om te roeren vulde men het in de ‘Bessemer-peer’ en blies hier dan lucht in zodat de koolstof via deze lucht kon ontsnappen. Op die manier was niet alleen het tijdrovende, extreem zware lichamelijk werk niet meer nodig maar men verkreeg ook een betere kwaliteit staal. De volgende stap volgde al in 1863: de ‘Siemens-Martin-procedure’ leverde bij nog hogere temperaturen in een speciale oven nog beter staal op. Deze procedure gold bijna honderd jaar lang als optimale techniek voor de staalproductie. Dat deze vernieuwing voor het eerst niet uit Groot-Brittannië maar uit Duitsland en Frankrijk kwam, maakt duidelijk hoe sterk de massaproductie van staal en de specifieke vakkennis ondertussen in het noordwesten van Europa waren doorgedrongen.