Europese themaroute huisvesting en architectuur

Door de industrialisatie met haar steeds beter wordende materialen ijzer en beton ontstonden er voor architecten en ingenieurs ongekende nieuwe mogelijkheden. Tegelijkertijd betekende dat een revolutie voor de woningbouw aangezien het de duizenden toegestroomde werknemers in de florerende fabrieksgebieden nog aan menswaardige huisvesting ontbrak.

Tot de eerste ondernemers die zich met sociale vraagstukken bezighielden behoorde de Britse socialist Robert Owen. Hij concipieerde aan het eind van de 18e eeuw een ideale stad in de utopische traditie van de renaissance maar leed schipbreuk bij de verwezenlijking. Titus Salt had meer succes. Salt was eveneens textielfabrikant en liet in 1851 voor zijn werknemers in West Yorkhire de wijk met rijtjeshuizen ‘Saltaire’ aanleggen.

In Frankrijk had Charles Fourier soortgelijke ideeën voor productie- en leefgemeenschappen ontwikkeld. Volgens zijn model realiseerde Jean-Baptiste Godin in 1859 naast zijn gieterij in Guise de wijk ‘Familistère’: woonhuizen met meerdere verdiepingen omzomen een grote binnenplaats met een lichtdoorlatend, glazen dak dat als gemeenschapsruimte dient. Openbare voorzieningen zoals een school, kleuterschool en winkels zijn in het complex geïntegreerd.

De Britse stedebouwkundige Ebenezer Howard bracht als tegenstelling tot de ongebreideld groeiende metropolen het concept van de tuinstad. Beïnvloed door de Amerikaanse natuurfilosoof Ralph Waldo Emerson, propageerde hij in het landschap geïntegreerde kleine steden met eengezinshuizen en gemeenschappelijke voorzieningen. De grondstukken moesten in gemeenschappelijk bezit zijn. Dit concept werd in 1903 in de tuinstad Letchworth in Hertfordshire en spoedig daarna ook in de Londense buitenwijk Hampstead Garden omgezet.

De mogelijkheden van de architectuur werden eerst door het ijzer vergroot – het doorlopend verbeterde basismateriaal van de industriële revolutie. Uit ijzer en glas ontstonden de lichtdoorlatende kassen, zoals in 1848 het palmenhuis in de Londense wijk Kew of, in 1851, eveneens in Londen, het beroemde ‘Crystal Palace’ van Joseph Paxton. Paxton gebruikte prefab vensterglas en ijzeren respectievelijk houten draagbalken. Hij liep zo op de standaardisering vooruit die in het geïndustrialiseerde bouwen van de 20e eeuw de norm zou worden.

Als tweede nieuwe materiaalsoort konden de architecten vanaf 1867 over staalbeton beschikken – een samengesteld materiaal dat de Franse tuinman Joseph Monier oorspronkelijk voor plantenbakken had ontwikkeld. Dankzij de hechte verbinding van stalen staven of stalen vlechtwerk, die de trekkrachten opnemen, met een omhulsel van beton, dat de drukkrachten opvangt, kunnen met dit materiaal enorme, vrij dragende gewelven worden gebouwd. Vanaf 1900 ontstonden er steeds meer fabriekshallen, bruggen en woonhuizen uit staalbeton.

Rond deze tijd spitste de tegenstelling tussen ingenieurs en architecten, tussen functioneel bouwen en bouwkunst, zich toe. In Groot-Brittannië was in de 19e eeuw uit de beroepsgroep van de ‘molenbouwmeesters’ het beroep van de ‘civil engineer’ ontstaan: de ingenieur voor hoogbouw en grondwerken die niet alleen op de hoogte was van het bouwen maar ook van de machinale inrichting van de fabrieken. Een beroemde vertegenwoordiger is Sidney Stott die begon met meerdere verdiepingen tellende spinnerijen bij Manchester en later bijvoorbeeld in het textielgebied in de Nederlands-Duitse grensstreek bouwde.

Traditiebewuste architecten beriepen zich daarentegen op ambachtelijke kwaliteit en de bouwkunst van de middeleeuwen. In Groot-Brittannië won aan het eind van de 19e eeuw de ‘Arts and Crafts’-beweging aan invloed, in Frankrijk analyseerde Eugène-Emmanuel Viollet-Le-Duc die constructieprincipes van de gotiek. Vooral in Duitsland en Oostenrijk bouwde men volgens de traditie van de Jugendstil – ook in de industriebouw, bijvoorbeeld de machinehal van de mijn ‘Zollern’ in Dortmund.

Na 1900 ontstond er in Duitsland een groep geëngageerde architecten die het artistieke vormgeven met moderne materialen en functioneel bouwen verbond. De baanbreker was Peter Behrens die sinds 1907 artistiek adviseur van de energiereus AEG was. Hij liet in Berlijn een turbinefabriek uit beton, staal en glas bouwen – functioneel opgezet als lange, pijlervrije productiehal met ramen tot aan het dak en toch door een gevel met massieve hoeken en krachtige pijlers op traditiebewuste wijze geënsceneerd.

Zijn medewerker Walter Gropius werkte dit concept in 1911 met een fabriek voor schoenleesten voor het bedrijf ‘Fagus-Werke’ in Alfeld verder uit. Hij ontwierp een gevel van ramen met dunne ijzeren sponningen waarin slechts kleine bakstenen pijlers waren ingevoegd zodat het gebouw de indruk van transparantie en luchtigheid wekt. Een icoon van de moderne architectuur zouden de hoeken van het kantoorgebouw worden dat geheel uit ramen bestaan, zonder hoekpijlers, aangezien Gropius de dragende steunpilaren naar het binnengedeelte van het gebouw had verplaatst. Hierdoor ontwikkelde zich de doorlopende, voor het gebouw zelf opgehangen venstergevel ‘Curtain Wall’ – een karakteristiek kenmerk van de architectuur van de 20e eeuw.

De radicale oplossing in de industriebouw werd in de VS gevonden. Voor Ford, waar voor het eerst consequent gebruik werd gemaakt van de lopende band, bouwde Albert Kahn in 1908 in Detroit de passende fabriek: een lange fabriek zonder verdiepingen waarin de auto’s alle productiestadia na elkaar passeerden. De fabriek werd in korte tijd uit prefab stalen skeletten gebouwd en kon met nieuwe modules op willekeurige manier worden uitgebreid.

Na de Eerste Wereldoorlog dwong de woningnood de regeringen en genootschappen voor het algemeen nut ertoe om aanzienlijk in de woningbouw te investeren. In Groot-Brittannië liet men grote wijken met eengezinshuizen bouwen en in Duitsland woonblokken, bij voorkeer in lange parallelle rijen met zo veel afstand dat iedere rij voldoende licht had. Vaak hoorden er bij deze blokken ook crèches, winkels of wasserijen.

Deze gemeenschapsgedachte kwam vooral in de binnenplaatsen die in de jaren 1920 in Wenen ontstonden, tot uitdrukking. Het bekendst werd de binnenplaats ‘Karl-Marx-Hof’, een monumentaal “proletarischer Wohnpalast” dat bestond uit huizen van vijf verdiepingen rond een grote, van groen voorziene binnenplaats. Ook in de burchtachtige binnenplaatsen van ‘Rotes Wien’ werden winkels, kleuterscholen, soms zelfs bibliotheken en postkantoren geïntegreerd. In Nederland ontstonden expressief vormgegeven woonblokken: aanvankelijk vaak uit de traditionele bakstenen en af en toe met een torentje, later ook uit prefab betonnen stenen met individuele, van kleuraccenten voorziene gevels, zoals in de tuinstad Watergraafsmeer bij Amsterdam.

In de wijken die door vertegenwoordigers van de functionele architectuur werden gebouwd, stonden daarentegen kubusvormige huizen met platte daken en wit stucwerk. De standaardisatie ging zelfs zo ver dat de vernieuwende aspecten, zoals het richten op de stand van de zon of de groenvoorziening, weer op de achtergrond raakten, ook in de wijken van Gropius. Gropius, die nog steeds een aanhanger van het ideaal van de woongemeenschap was, zette zich daarnaast intensief voor de bouw van flatgebouwen in. Deze trend bereikte een hoogtepunt in het werk van de architect en kunstenaar Le Corbusier. Zijn idee van een ‘huisstad’ kon hij ten slotte in 1955 in de ‘Unités d’Habitation’ in Marseille verwezenlijken: een enorme betonnen gebouw met meer dan 300 woningen waarin een soort netwerk van straten en twee verdiepingen met winkels waren geïntegreerd. Hoewel spoedig eclatante gebreken optraden, heeft het complex een grote invloed op de woningbouw uitgeoefend.