

Toen er ten tijde van de industrialisatie steeds meer schoorstenen als paddenstoelen uit de grond schoten en fabrieken, mijnen en ijzerbedrijven steeds meer uitbreidden, groeiden dorpen en steden aaneen, en in vergetelheid geraakte stadjes veranderden in florerende metropolen. In de nieuwe, dichtbevolkte centra moesten handel, bestuur en vrijetijdsbesteding voor de eerste keer voor massa’s klanten worden georganiseerd.
Als voorloper van de grote warenhuizen ontstonden in het midden van de 19e eeuw ‘Les Halles’, de legendarische groothandelshallen in Parijs. Op uitdrukkelijk verzoek van de stedebouwkundige Georges-Eugène Haussmann, die de middeleeuwse bouwstructuur van de Franse hoofdstad radicaal veranderde, werden deze hallen op moderne wijze uit glas en voorgefabriceerde ijzeren onderdelen gebouwd. Slechts korte tijd later volgden de eerste grote warenhuizen, zoals ‘les Magasins de Printemps’. Aangezien er in de gebouwen een ijzeren skelet in plaats van gemetselde muren als drager fungeerde, konden de verkoopruimtes veel vrijer worden vormgegeven. Karakteristiek waren de met glas overdekte binnenplaatsen met galerijen en de zwevende trappen.
Vooral producten uit de hogere prijsklassen werden sinds het begin van de 19e eeuw in passages aangeboden: rijen winkels die een met glas bedekte gang zoomden – eerst in Parijs en Londen gebouwd, dan ook in Brussel en Berlijn en andere grote steden. De luisterrijke ‘Galleria Vittorio Emanuele’ in Milaan inspireerde de Duitse ondernemer Leonard Tietz: rond 1900 liet hij volgens dit voorbeeld in Berlijn en Düsseldorf warenhuizen met prachtige gevels bouwen waarin toen ook grote etalages werden geïntegreerd.
Tegelijkertijd begonnen architecten als de Oostenrijker Otto Wagner ook openbare gebouwen zakelijk-functioneel vorm te geven. Het ‘Postsparkassenamt’ in Wenen, van 1904-1912 door Wagner gebouwd, is een mijlpaal van de architectuurgeschiedenis geworden. Aangezien de opdrachtgever “grootst mogelijke solidariteit” verlangde, werd de gevel weliswaar met kostbaar marmer bekleed maar de montagebouten liet Wagner zichtbaar uitsteken: de vorm van het gebouw werd door de functionele eisen bepaald.
De Amerikaan Louis Sullivan verwoordde dit basisprincipe van de moderne architectuur met de goed klinkende formule “form follows function”. Sullivan drukte zijn stempel op de stijl van de nieuwe kantoorgebouwen die eind 19e eeuw vooral in de grote steden van de VS als paddenstoelen uit de grond schoten. Immers, de grote bedrijven hadden voor de verkoop van hun massaproducten steeds meer kantoorpersoneel nodig. Het kantoorwerk, de dynamische, nieuwe dienstensector, bracht juist in de VS talrijke vernieuwingen teweeg: in 1876 construeerde de Amerikaan Graham Bell de eerste ook in de praktijk deugdelijke telefoon en in de jaren 1880 introduceerde de firma Remington de typemachine.
Het nieuwe type kantoorgebouw ontwikkelde zich vooral in Chicago: met wolkenkrabbers kon men optimaal gebruik maken van de dure grondstukken. De veilige lift die in het midden van de 19e eeuw door Elisha Graves Otis was ontwikkeld, zorgde voor een betrouwbaar vervoer naar de bovenste etages omdat deze bij een kabelbreuk automatisch remde. In de wolkenkrabbers fungeerde in plaats van gemetselde muren een ijzeren skelet als drager waarbij de pijlers als bescherming tegen brand van een laag terracotta of cement waren voorzien. De gevel werd meestal gestructureerd door grote ramen en werd – behalve een opvallend vormgegeven parterre – tot aan het dak als een geheel vormgegeven, zodat er een willekeurig aantal verdieping op elkaar kon worden gestapeld.
Naarmate het werk in de industrialisatie steeds sterker werd gemechaniseerd, verlengden de fabrikanten ook de werktijden – zonder rekening te houden met het prestatievermogen van de mannen, vrouwen en kinderen die achter de machines stonden. Pas vanaf de jaren 1870 kwamen er veranderingen op gang: vooral onder druk van de vakbonden daalde de werkweek naar circa 70 uur en daalde dan tot de Eerste Wereldoorlog verder tot circa 50 uur. Als tijdverdrijf na het werk en spoedig ook op vrije zondagen ontstond er in de dichtbevolkte steden een veelvuldig aanbod van nieuwe vermaaksgelegenheden.
Voorlopers waren sinds het midden van de 19e eeuw grote, plaatsgebonden circushallen. Zo bouwde men bijvoorbeeld in Parijs het ‘Cirque d’Hiver’, direct aan de Champs Elysées, en het ‘Cirque Napoléon’ met koepels van glas en ijzer. Ook kleinere plaatsen kregen hun eigen ‘hippodroom’ zoals de hallen vaak heetten waarin naast ruiterschouwspelen en circusvoorstellingen ook opera-avonden plaatsvonden en zelfs watergevechten, zoals ooit eens in het Romeinse circus in de Klassieke Oudheid. Typisch voor de 20e eeuw is echter het lot van het Parijse ‘Hippodrome du Champ de Mars’ dat in 1911 tot ‘Gaumont Palace’ werd verbouwd: het grootste en – na nog een verbouwing – naar het heette ook indrukwekkendste bioscooppaleis ter wereld.
De film, die in 1895 in Parijs voor het eerst in het openbaar werd vertoond, ontwikkelde zich na de eeuwwisseling snel tot een toonaangevend massamedium. Bij de eerste bioscoopgebouwen, die vanaf 1910 in veel steden ontstonden, lieten de speelse, van (te) vele versieringen voorziene gevels nog zien dat de filmen eerst een jaarmarktattractie waren geweest. Echter, de architecten deden veel moeite om met neoklassieke gebouwen en luxueuze inrichtingen de indruk van respectabiliteit te wekken. De glorietijd van het filmtheater volgde in de jaren twintig, toen vooral in de VS schitterende droompaleizen ontstonden, zoals de ‘Radio City Music Hall in Art-Deco-stijl in New York of het ‘Graumann’s Chinese Theater’ in Hollywood. Op het vasteland van Europa was de nieuwe, zakelijke bouwstijl ook in de bioscoopgebouwen terug te vinden, bijvoorbeeld in de monumentale ‘Lichtburg’ in Essen of het ‘Universum’ in Berlijn, een ontwerp van de beroemde architect Erich Mendelsohn.
De pretparken in de Europese metropolen kunnen bogen op een langere traditie. Ze beleefden hun hoogtijdagen echter in de 19e eeuw. De Londense ‘Vauxhall gardens’ bijvoorbeeld werden al in het midden van de 17e eeuw geopend: een voornaam park met lommerrijke lanen, fonteinen, later met concertpaviljoens en restaurants en met feestverlichting en vuurwerk. Op soortgelijke wijze ontstond het ‘Prater’ in Wenen: oorspronkelijke was het een keizerlijke dierentuin voor wilde dieren en het werd in het midden van de 18e eeuw als volkspark voor de burgers geopend en spoedig voorzien van bowlingplekken en carrousels. Het beroemde reuzenrad ontstond naar aanleiding van de wereldtentoonstelling van 1897. In het ‘Tivoli’ in Kopenhagen dat in 1843 volgens Londens voorbeeld werd gebouwd, zorgden daarentegen van begin af aan exotische bouwwerken, concertpodia en draaimolens voor vertier.
Een soortgelijk beeld boden eind 19e eeuw de amusementspieren, een bijzonder kenmerk van de Britse kustplaatsen. Ontstaan uit aanlegsteigers, werden de pieren aanvankelijk de zee in gebouwd zodat de wandelaars ook tijdens eb van het water en de zeelucht konden genieten. De concurrentie tussen de badplaatsen zorgde voor nog meer investeringen en de amusementspieren ontwikkelden zich snel tot een karakteristiek kenmerk van het Victoriaanse tijdperk: spoedig schreden de bezoekers onder de representatieve poortbogen door naar de restaurants en variététheaters die meestal waren vormgegeven als oriëntaalse kiosken met uienkoepels, torentjes en smeedijzeren versieringen. Of men vermaakte zich, slechts enkele meters boven de golven van de zee, met concerten van orkesten, met schaatsen of met speelautomaten.